De systemische gewetens – het persoonlijk geweten

Bert Hellinger is de grondlegger van het systemisch werk. Hij ontwikkelde een methode om onbewuste dynamieken en patronen zichtbaar te maken, binnen families, organisaties, systemen. Deze methode, die we ‘systemisch werk’ noemen, is erop gericht om de ‘orde’ binnen het systeem – en daarmee de rust – te herstellen. Familieopstellingen is – vermoed ik – de bekendste vorm.

Hellinger was oorspronkelijk theoloog en missionaris voordat hij zich omschoolde tot psychoanalyticus. Hij integreerde invloeden uit de gestalttherapie, TA (transactionele analyse) en gezinstherapie in zijn werk. Met behulp van duizenden opstellingen ontdekte hij dat er drie gewetens te onderscheiden zijn.

De ‘gewetens’

  • Het persoonlijke geweten (dit geweten is voelbaar);
  • Het collectief geweten (dit geweten is onzichtbaar, we zijn ons er niet van bewust);
  • Het spirituele geweten (dit geweten overstijgt alles).

Deze drie gewetens zijn de basis. Daarnaast zijn er, binnen gewetens, drie wetmatigheden, maar daarover later meer (om het niet te ingewikkeld te maken).

Het persoonlijke geweten

Het persoonlijke geweten is in iedereen aanwezig en werkt als een soort evenwichtszintuig. Het is jouw innerlijke bewaker tussen goed en kwaad. Het laat je instinctief weten:

  • Hoor ik erbij?
  • Hoor ik er niet (meer) bij?

Dit begint, zoals je hebt gelezen in de drieluik, bij jouw familie: je vader, je moeder en daarna eventuele broers en zussen. Jouw persoonlijke geweten, en dat van je broers en zussen, vormt zich door grenzen van je ouders, door normen en waarden binnen de familie (‘zo doen wij het hier’ en ‘zo hoort het’), de gemeenschap waar jij opgroeit, de sportvereniging, de scoutingclub, noem maar op.

Als jij je houdt aan de ongeschreven regels, dan hoor je erbij. Doet je iets dat niet mag, dan hoor je er niet meer bij. Je voelt schaamte of je voelt je schuldig. Zo simpel is het. Zo vormt jouw persoonlijke geweten zich. Dit geweten heeft overigens niets te maken met de algemene principes van goed en kwaad. Het is je innerlijke vermogen om je eigen gedragingen en intenties te toetsen aan de kaders van je familie of de groep waar je mee omgaat en of je gedragingen binnen de normen vallen. Elke groep heeft zijn eigen regels. Een religieus gezin heeft hele andere regels dan een criminele bende.

Wanneer jij je schuldig voelt, dan corrigeer je jezelf. Je vindt bijvoorbeeld dat je te weinig bij je ouders bent geweest, dat je je vriendin nodig had moeten bellen, dat je teveel hebt gedronken of te boos op iemand, noem maar op. Je corrigeert jezelf om weer op het ‘rechte pad’ te komen (al kan dat ook een slecht pad zijn, met een schoon geweten, afhankelijk van de groep waar je je in bevindt).

De andere kant van schuld is dat je je ook schuldig kan voelen terwijl er helemaal geen sprake is van schuld. Dan is schuldig voelen niet meer bedoeld om een balans te herstellen om ‘er bij te horen’. Deze vorm van schuld kan een destructief patroon worden waarin jij het je liever slecht laat gaan, dan dat je voor jezelf kiest. Wanneer jij je schuldig voelt, vraag je dan altijd af of er daadwerkelijk sprake is van ‘schuld‘. In familieopstellingen zie je vaak dat deze dynamiek (bijvoorbeeld het jezelf slecht laten gaan) te maken heeft met loyaal zijn aan een van je ouders of met een verstrikking met iemand anders in je familiesysteem, uit een eerdere generatie.

Dit geweten regelt dus wat je moet doen (of moet laten) om bij een betreffende groep te horen en gaat over binding (een van de drie wetmatigheden). De andere twee heten ordening en balans (tussen geven en nemen).

Binding

De binding regelt dus heel fijngevoelig onze behoefte om erbij te horen in de familie, in een relatie en in jouw sociale omgeving. De angst voor uitsluiting zit diep in ons. Iemand die in vroegere tijden uitgesloten werd, riskeerde zijn leven. De ‘stam’ was je bescherming, je overleving. Een kind dat uitgesloten dreigt te worden, ervaart dan ook doodsangst. Over binding vind je meer in de drieluik, bijvoorbeeld bij het kind (en overigens ook de puber).

Ordening

Ons persoonlijke geweten is altijd op zoek naar orde, sociale regels en voorspelbaarheid. Wanneer we weten waar we aan toe zijn, voelen we ons veilig. Wij hebben dus behoefte aan een kader, dat herken je vast bij jezelf. Tijdens de opvoeding ontstaan veel verstoringen. Je hebt als kind voorspelbaarheid en grenzen nodig, deze scheppen een referentiekader. Voor kinderen bieden die grenzen veiligheid. Uiteraard schop je als kind tegen deze grenzen aan. Mijn kinderen deden dat tenminste wel, en dat recht hebben ze (zeg ik altijd). Net als ik als ouder het recht heb om een grens te stellen én deze te handhaven (dat zeg ik er altijd achteraan).

Dit wil zeggen dat ouders voor het kind voorspelbaar moeten zijn in hun toewijding, acties en reacties. Wanneer ouders wispelturig en daarmee onvoorspelbaar zijn, dan wordt het moeilijk voor jou als kind. Je voelt je niet veilig meer. Het wordt nog moeilijker wanneer er géén grenzen worden gesteld. Dan wordt het lastig om een veilige plek binnen de familie te vinden. Wanneer er geen grenzen zijn, leeft een kind in een soort luchtledigheid: het ervaart niet het gevoel van een slecht geweten (er zijn immers geen regels), dus vormt het ook nooit een goed geweten.

Balans (in geven en nemen)

Als je een duur cadeau ontvangt, of wanneer iemand vaker voor een etentje betaalt dan jij, voel je je automatisch schuldig. We hebben het gevoel dat we – tenminste in dezelfde mate en het liefst nog een beetje meer – terug moeten geven om de balans weer te herstellen. Dit ‘schuldgevoel’ is een andere dan bij ‘goed en fout’ (binding). Dit gaat over het voelen van een verplichting en vervolgens – als de balans hersteld is – de vrijheid van verplichting.

In onze maatschappij geldt nog altijd dat geven beter is dan nemen. Hierdoor ontstaan er verstoringen en belasten we elkaar. Door deze houding zorgen we ervoor dat anderen zich schuldig voelen. Het zou veel fijner zijn wanneer geven en nemen niet op een weegschaal geplaatst wordt en we veel rijker kunnen uitwisselen.

Binnen het systemisch werk hoort bij balans binnen een familie:

  • Ouders geven wat ze kunnen geven;
  • Kinderen nemen wat ze krijgen (ook al is dát, wat ze krijgen, voor een kind niet genoeg);
  • Kinderen hebben niet het recht om van de ouders iets te eisen (daarmee verlaat jij je plek als kind).

Kinderen moeten hun ouders dus nemen voor wie ze zijn. Op hun beurt kunnen de kinderen later, wanneer zíj kinderen krijgen, het vele dat ze hebben gekregen weer doorgeven. Ik kom dan weer terug op de metafoor van Els van Steijn over de fontein. Je ouders staan boven je in de bak. Je hebt te nemen wat naar beneden stroomt (ook als dat voor jou niet genoeg is geweest). Als je dat volledig kunt, als je je ouders kunt nemen zoals ze zijn, sta je volledig in je eigen kracht. Een mooi voorbeeld van een verstoorde dynamiek van balans in een relatie vind je hier

Binnen organisaties

Wanneer er binnen een organisatie geen goede balans bestaat tussen geven en nemen, bijvoorbeeld wanneer de organisatie veel vraagt van medewerkers, maar daar weinig voor terug geeft, dan ontstaat er geheid gedoe. Gedoe ontstaat ook wanneer de dynamiek van binding of ordening verstoord raakt. Daarover schrijf ik heel graag een andere keer.

De volgende keer schrijf ik over het collectief geweten. Wil je op de hoogte blijven van nieuwe overpeinzingen cq blogs, abonneer je dan op mijn Whatsappkanaal.

Bronnen:

Bovenstaande tekst is ontstaan uit het lesmateriaal van de opleiding familieopstellingen bij het IVSW, uit mijn aantekeningen van deze en gene opleiding en mijn eigen proefondervindelijke ervaringen.

Foto: Sunriseforever