Een drieluik over kinderen, de baby

De diepe behoefte van kinderen om ergens bij te horen is voor hen van levensbelang. De belangrijkste verbinding is die met de moeder. Een baby wordt in symbiose met de moeder geboren: het reikt uit naar de moeder en wil zich steeds opnieuw verbinden. De moeder is alles voor een baby, de hele wereld, het universum.

Als mama er niet is wanneer het uitreikt (bijvoorbeeld wanneer het in een couveuse ligt), dan sluit het zich af. Dit is de eerste ervaring van trauma en wordt in de cellen ingeprent: ‘Ik reikte uit naar mama, maar er was niemand.’ Dit noemen we binnen het systemisch werk ‘de onderbroken verbinding’: de baby stopt onbewust met uitreiken, omdat de behoefte aan verbinding, liefde of veiligheid niet wordt beantwoord.

Dit kan ook ontstaan wanneer de moeder wel fysiek aanwezig was, maar de ‘ziel’ van de moeder ergens anders is. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de moeder nog veel verdriet had door het overlijden van een van haar ouders, een broertje of een zus. Soms blijkt ze in een familieopstelling nog verbonden te zijn met een overleden kindje, zelfs als dat een abortus of een miskraam betreft. Ook kan het zijn dat de moeder een postnatale depressie had en daardoor niet beschikbaar was. De baby sluit zich dan af. Het ervaart een onveilige belevingswereld, want al is de moeder de hele wereld en zelfs al is ze fysiek aanwezig, de baby voelt dat ze niet beschikbaar is. Het niet bij de moeder kunnen zijn, het niet bij familie kunnen zijn, is per definitie trauma. Dit is een oerinstinct: het was vroeger van levensbelang om bij een ‘stam’ te horen, je had elkaar nodig om te overleven. Later pas komt de vader in beeld. Als ouders er veel zijn, dan is er op een gegeven moment een ‘mama en papa’.

In familieopstellingen zien we dit beeld van een onderbroken verbinding soms terug. Als vanzelf toont het zich, bijvoorbeeld in de moeder die er niet kon zijn of in een getraumatiseerd kindsdeel. Een van de vragen voorafgaand aan het gesprek dat de begeleider heeft met de vraaginbrenger, kan dan ook zijn: ‘Hoe was je geboorte?’ Een familieopstelling kan helpen om deze onderbroken uitreiking zichtbaar te maken en te ‘herstellen’ door bewust de verbinding opnieuw uit te oefenen met (een representant van) de ouder. Ik plaats herstellen bewust tussen aanhalingstekens en vind het van belang om te benadrukken dat een opstelling het verleden niet verandert. Soms kan alleen al het besef dat je moeder niet beschikbaar was, heel helpend zijn in het nu. Vaak ontstaat er bij de cliënt een krachtige innerlijke beweging, die helpend is om je weer open te stellen voor liefde, zowel van een ander als in jezelf.