Een drieluik over kinderen, het kind

Voor kinderen is het van levensbelang om ergens bij te horen. Voor volwassenen geldt dit niet meer, volwassenen kunnen  – als het goed is – voor zichzelf zorgen (ook al voelt het voor een volwassene nog steeds wel van belang om ergens bij te horen).

Zoals het thuis gaat, is voor een kind normaal. Dat wat ergens anders gebeurt, is raar. Een kind is altijd loyaal aan thuis. Het heeft, vanuit een oerinstinct (lees het eerste deel, de baby), immers de behoefte erbij te horen. Zelfs al is het thuis minder veilig, bijvoorbeeld bij agressie of mishandeling. En ook al merkt het kind dat het er ergens anders veel liefdevoller aan toe gaat dan thuis.

Naarmate een kind ouder wordt, wordt de wereld steeds een beetje groter. Dat begint vanaf het moment dat de dreumes begint te kruipen: het komt erachter dat het bij de moeder weg kan gaan, maar er ook weer naartoe kan kruipen. De eerdergenoemde symbiose met de moeder eindigt. Het kind zoekt steeds meer ruimte voor zichzelf. De ouders zijn – als het goed is – een veilige bedding van waaruit ze de wereld kunnen gaan ontdekken. Als een kind niet bij de ouders kan zijn en bijvoorbeeld in een pleeggezin of een gezinshuis woont, hoort het kind bij een nieuw systeem en hoort het er weer helemaal bij. Loyaal aan de ouders blijft het echter altijd, zelfs als dat ogenschijnlijk niet zo is.

Ouders dienen voor deze ontdekkingstocht van het kind de kaders uit te breiden, zodanig dat er een nieuwe ruimte ontstaat. Dit betekent: de regels aanpassen aan de gewijzigde behoefte en de nieuwe mogelijkheden van het kind. Standvastig zijn (en blijven) is van belang om een veilige bedding te handhaven. Dat een kind weet: “Als papa en mama dat zeggen, dan doen ze het ook”. Voor kinderen is het cruciaal om binnen een veilige omgeving grenzen te ontdekken. Heldere grenzen geven deze veiligheid. Wanneer een vader bijvoorbeeld vanuit een eigen neurose (en niet vanuit logica) zegt: “Niet aankomen” dan zal het kind waarschijnlijk blijven uittesten. Kinderen testen de grenzen van hun ouders continu uit om er zeker van te zijn dat ze er nog steeds bijhoren als ze grenzen overgaan. Ze willen zeker weten dat ouders er nog steeds zijn en niet verdwijnen.

Hieronder geef ik nog een aantal voorbeelden, die deze belangrijke ontdekkingstocht belemmert en waardoor ‘probleemgedrag’ kan ontstaan:

Wanneer het kind naar de middelbare school gaat, leert het dat de wereld nóg groter wordt, met nieuwe, andere uitdagingen. Daarover gaat deel 3, de puber.

Een familieopstelling kan verhelderend werken als je een kind hebt dat ‘probleemgedrag’ vertoont, depressief is, angstig, niet wil slapen, noem maar op. Denk je als zorgaanbieder dat een gezin baat kan hebben bij een opstelling – individueel of in een groep – neem gerust contact met me op om de mogelijkheden te onderzoeken. Alles valt of staat natuurlijk wel met de vraag of de ouders óók vinden dat ze ergens tegenaan lopen (de mening van een hulpverlener is voor een familieopstelling irrelevant).